Afdrukken

Noordhollands Dagblad, 4 september 2004]

Er is de laatste tijd nogal wat te doen in Alkmaar rondom de kaderregeling inspraak en participatie, de KIP.
Burgers, belangengroepen en ondernemers voelen zich vaak niet serieus genomen. Gemeenteraad en college worstelen met een regeling die eigenlijk niet meer past bij de politieke verhoudingen en die zich nog maar moeizaam verhoudt met de toenemende mondigheid van de burgers. Anjo van de Ven, fractievoorzitter GroenLinks, over de KIP die niet altijd de gouden eieren legt.

Het begint eigenlijk al met de verwarring rondom de begrippen inspraak en participatie. Participatie is een containerbegrip, het betekent eigenlijk gewoon meedoen met het maken van beleid. Dat kan op verschillende niveaus.Kenners noemen dat de participatieladder. Die loopt in vijf treden van volledige zelfsturing, via interactief werken en consultatie naar inspraak of alleen maar geïnformeerd worden.Daarbij zie je dat het accent verschuift van beleidsvorming (plannen maken) naar besluitvorming. Bij inspraak ben je al aangeland bij de besluitvorming.

In de KIP wordt dit onderscheid niet gemaakt en staat participatie ongeveer gelijk aan interactieve besluitvorming. En dan is het niet helder of je als deelnemer alleen meepraat of ook meebeslist.

Dit is niet met het enige probleem. De KIP legt zwaar de nadruk op de begeleidingsgroep, terwijl die slechts een van de mogelijkheden is tot interactief beleid. Andere manieren, zoals panels, workshops of enquêtes, zijn minder log.


Eigen aanpak

Elk onderwerp vraagt zijn eigen aanpak. Als je het met de burger wilt hebben over wat er gebouwd moet worden in het stationsgebied, gaat het om een veel concreter onderwerp dan wanneer je vraagt hoe we van Alkmaar een veiliger stad kunnen maken.

Burgers en ook andere private partijen willen en krijgen steeds meer directe invloed op hetgeen in de stad tot stand komt. De mondige burger van tegenwoordig kent zijn rechten en verwacht dat naar hem of haar geluisterd wordt. Mensen hebben initiatiefrecht en spreekrecht in vergaderingen en zonodig komen ze met alternatieven of zoeken langs juridische weg alsnog hun gelijk.

Bange tongen beweren wel eens dat hiermee de rol van de gemeenteraad verzwakt. Maar dat is veel te somber gedacht. Helder moet zijn waar meedenken ophoudt en waar besluitvorming begint.

Eigenlijk zijn er maar drie stappen nodig. De proloog, waarin een goed kader gegeven wordt om verder te kunnen. De dialoog: waarin partijen interactief met elkaar aan de slag gaan.

Die mondt uit in een voorstel, waarbesluiten over genomen moeten worden. En de epiloog; waar de gemeenteraad als vertegenwoordigende democratie de hoofdrol speelt. Want ook al is het draagvlak voor een plan groot, daarmee is het nog niet representatief.


Minder mondig

Formele inspraak blijft nodig als laatste middel om een besluik te beïnvloeden. Uiteindelijk beslissen de gekozen volksvertegenwoordigers, die daarbij ook toezien op de belangen van niet zo mondige burgers.

De huidige kadernota voldoet dus niet meer. Je zou beter een nieuwe KIR, een kaderregeling interactieve beleidsvorming kunnen maken. Met daarin een duidelijk onderscheid tussen de periode van het maken van plannen en de besluitvorming. Vooraf moeten de kaders helder gesteld zijn. De manier van meepraten is afhankelijk van het onderwerp en de betrokkenen.

Gedurende het maken van de plannen krijgen burgers die met eigen ideeën komen 'meespreekrecht' in commissievergaderingen. Ondersteuning van belangengroepen is een zaak van de gemeente zelf en niet van bijvoorbeeld een welzijnsorganisatie. Iedereen moet gewoon bij de gemeente terecht moeten kunnen. Daar zit immers de informatie en daar moet je ook kunnen rekenen op onafhankelijke ondersteuning, bijvoorbeeld bij een 'KIB-loket' . Hoe je het in de toekomst ook regelt, alles staat of valt met de bestuurscultuur van een stad. Ook daarover is in het Alkmaarse de nogal wat te doen. Er is veel kritiek: de buitenwereld (burgers, buren en belangengroepen) heeft vaak het gevoel dat er niet uitnodigend en inspirerend met hen wordt omgegaan. Men wordt in de meeste gevallen hoogstens aangehoord, maar echt geluisterd wordt er niet.


Defensief

De bestuurscultuur wordt ervaren als defensief,vooral gericht op het realiseren of doordrukken van eigen doelen, en als onvriendelijk, soms hooghartig. Allemaal kenmerken van een monocultuur. Die ontstaat alleen als een bepaalde groepering de overhand kan krijgen in een organisatie, en in een sfeer waarbij de blik meer gericht is op zichzelf dan op de ander. Kritiek van buiten wordt dan opgevat als bedreigend, kritiek of vernieuwing van binnenuit wordt gezien als dissident gedrag.

Samenspraak en samenwerking , met anderen, binnen en buiten de organisatie, worden daarbij steeds moeilijker, omdat vertrouwen en betrouwbaarheid het afleggen tegen machtsdenken en bestuurlijke doofheid. Geen goede uitvalsbasis voor welke vorm van participatie dan ook.

Een gemeentebestuur dat de oprechte ambitie heeft om op een open en interactieve manier de stad te besturen doet moeite om haar burgers erbij te betrekken en schept voorwaarden voor actieve deelname.

Zo'n interactieve bestuursstijl is naar buiten gericht, op zoek naar ervaring, kennis en kwaliteiten van anderen en bereid om doelen aan te passen. Zowel gemeenteraad als college kan, ieder vanuit de eigen rol, initiatieven nemen voor een interactieve aanpak.

Open vizier

Daarbij past geen defensieve, geharnaste houding en geen gesloten bestuurscultuur. Maar juist een open vizier. Want al maakt ons dat misschien wat kwetsbaar, het verruimt wel de blik.

Anjo vd Ven

ANJO VAN DE VEN
Anjo van de Ven is fractievoorzitter van GroenLinks in de Alkmaarse gemeenteraad

origineel stuk van Anjo van de Ven