[Telegraaf, augustus 2004]

door PAOLA VAN DE VELDE

ROTTERDAM, dinsdag

Niets, maar dan ook werkelijk niets moest Friedrich Stowasser, beter bekend als Friedensreich Hundertwasser, hebben van het modernistische bouwen. Le Corbusier, Adolf Loos of Mies van der Rohe, de kopstukken van de functionele architectuur, waren misdadigers in de ogen van de Oostenrijkse kunstenaar. "Dankzij hen immers leven wij vandaag de dag in een jungle van rechte lijnen.

Neem maar eens de moeite om alle rechte lijnen om je heen te tellen. Een scheermesje alleen al heeft er 546. En dat terwijl de rechte lijn goddeloos is en immoreel. Het is geen creatieve lijn."

In de ogen van Hundertwasser (1928-2000) moest het allemaal anders. Iedereen zou vrij moeten zijn een eigen huis te bouwen. "Ieder mens moet verantwoordelijk zijn voor de vier muren waarin hij leeft", noteerde hij in een van zijn manifesten. Hundertwasser predikte het 'raamrecht' voor huurkazernes, waarbij elke bewoner het recht had zijn eigen raamkozijnen te decoreren zo ver zijn arm strekt. En hij bepleitte hartstochtelijk de 'boomplicht'. Want elk gebouw zou ook bomen als huurder moeten opnemen. Zij zouden natuurlijk in natura betalen, want een boom zorgt voor frisse lucht, voor verkoeling en voor vogels, die het aantal insecten terugdringen.

Hoe de vrolijk-anarchistische ideeën van de eigenzinnige Oostenrijker langzaam maar zeker vorm kregen, vanaf de vroege jaren zestig tot in de jaren negentig van de vorige eeuw, is deze zomer in de Rotterdamse Kunsthal te zien. Voor het eerst is in Nederland een dergelijk groot overzicht van de architectuurmodellen van deze kunstenaar en architect samengesteld.

De tentoonstelling, die dankzij het kleurrijke en speelse karakter van zijn : kunst, ook heel geschikt is voor kinderen, is tot stand gekomen in samenwerking met het Kunsthaus Wenen. De alternatief levende Hundertwasser (zoon van een joodse moeder en een Oostenrijkse vader) noemde zichzelf nooit architect. Ook niet nadat tal van zijn ontwerpen, zoals het spleetooghuis, het thermendorp Blumau, zijn bekendste gebouw het Hundertwasserhaus in Wenen, daadwerkelijk uitgevoerd waren. De kunstenaar presenteerde zich liever als 'architectuurdokter', omdat hij architectuur beter wilde maken.

Terugkijkend op zijn bijzondere oeuvre valt op dat Hundertwassers architectuur uitstekend binnen het postmodernisme past, omdat zijn werk buitengewoon eclectisch is. Hij gebruikt de organische vormen, die hij zo bewonderde in het werk van de beroemde Spaanse architect Gaudi, nam de kleurrijke mozaïek decoraties over uit de Jugendstil en gaf zijn gebouwen een sprookjesachtig uiterlijk door het toepassen , van 'Zwiebeln', de grote uien die vele (kerk) torens bekronen in de Slavische bouwkunst. Ook de schilderkunst, en dan met name de Weense School van rond 1900, inspireerde hem. Zo lijkt de gevel (van het Kunsthaus Wenen welhaast een letterlijke weergave van een schilderij van Egon Schiele in drie dimensies. "Hundertwasser mag dan door de zogenaamde serieuze architecten, de architectuurmaffia, nooit geaccepteerd zijn, het publiek is dol op zijn fantasievolle ontwerpen", zegt conservator Benno Tempel, die de tentoonstelling inrichtte. "In Duitsland heeft hij enkele kinderdagverblijven en scholen ontworpen, daar past zijn stijl uitstekend bij. Het is voor een kind natuurlijk prachtig als leslokaal en speelplaats bijna één zijn. " Volgens Tempel zijn veel van Hundertwassers ideeën beslist revolutionair te noemen. "Ecologie en fantasie zijn de uitgangspunten voor al zijn ontwerpen. En zo'n spiraalvorm, zoals Hundertwasser veel gebruikt zie je tegenwoordig ook bij een alom gewaardeerd architect als Rem Koolhaas terugkomen. Heel vooruitstrevend is ook zijn terrassenwoning en zijn manier om ontsierende parkeerplaatsen handig weg te werken in zijn ontwerpen."

Tot en met 5 september in de Kunsthal Rotterdam.

Conservator Benno Tempel bij een van de maquettes van Hundertwasser.
Conservator Benno Tempel bij een van de maquettes van Hundertwasser. 
FOTO: RE1N GELEIJNSE

Je kunt je afvragen wat 'fantasievolle' architectuur met Alkmaar, en in het bijzonder De Hoef, te maken heeft. Op het eerste gezicht weinig, totdat men kijkt naar de schoenendoosbouw, liefst in sombere donkerbruine of grijze kleuren, die men voorheeft voor De Hoef. Dan komt een en ander opeens in een veel helderder licht te staan.

Om de wijk leefbaar te houden zijn ongewenste ontwikkelingen die de leefbaarheid aantasten, zoals de voorgestelde flat aan de Jan de Heemstraat met loggia's (inpandige balkons) die donkerbruin moet worden, niet gewenst. Al eerder heeft het Buurtoverleg aangegeven dat zij voorstander is van meer leefbare lijnen en vrolijke kleuren en heeft ook voorbeelden opgestuurd naar de gemeente. De welstandcommissie is in deze doof (bruin is nu in), de gemeenteraad kijkt slecht naar bouw (niet de invulling) en de wethouder naar wat de grond opbrengt (input voor meer prestige projecten?). 
Gevolg: een verdere 'verblokking' van de wijk met meer schoenendoosbouw. Over tien of twintig jaar zal men zich verwonderd afvragen waarom niemand geluisterd heeft naar de bewoners en omwonenden wier leefomgeving het hier betreft.